Pointeren

Bij pointeren wordt een speciale “specie” (strijkmortel) gebruikt.
Dit is meestal een fijnere zandkorrel die in de specie verwerkt zit. Dit is nodig omdat bij het doorstrijken de korrels
niet op de voorgrond van de voeg komen te zitten.

Het pointeren gaat als volgt in zijn werk:
Nadat er gemetseld is, wordt er na enige tijd als de specie aardvochtig is, doorgestreken met een voegspijker of een roller.
De voeg wordt na de bewerking met de roller of voegspijker met de stoffer van resten van specie ontdaan, de muur is dan geheel afgewerkt.

Het voordeel van pointeren?
Dat de hardheid van de voeg veel harder is dan bij de traditionele manier (metselen en voegen).
Dit omdat op de traditionele manier een hechting moet plaatst vinden van twee soorten specie, de zogenaamde voeg en metselspecie.